Onderzoekers monitoren Norovirus wereldwijd

Stap dichter bij ontwikkelen van vaccin

Om een goed vaccin tegen het norovirus te kunnen ontwikkelen, moet het virus nauwgezet worden gevolgd zodat tijdig kan worden ingespeeld op nieuwe varianten. Die aanbeveling staat in een publicatie van Janko van Beek van het Erasmus MC in het wetenschappelijke tijdschrift Lancet Infectious Diseases. Van Beek promoveert 11 april aan het Erasmus MC op onderzoek dat hij heeft gedaan in samenwerking met het RIVM. Hij vergeleek data over het norovirus van de afgelopen 10 jaar.

Uit zijn onderzoek blijkt onder meer dat er gebaseerd op verschillen in het capside eiwit maar liefst 26 verschillende genotypes gedetecteerd zijn en dat er momenteel een nieuwe recombinant circuleert. De afdeling Viroscience van het Erasmus MC monitort in nauwe samenwerking met het RIVM en de andere wetenschappers binnen Global NoroNet het norovirus wereldwijd.

Het norovirus, dat wereldwijd ieder jaar 685 miljoen maagdarminfecties veroorzaakt, komt net als het griepvirus in veel variëteiten voor en verandert continu. Mensen worden geïnfecteerd door drie verschillende genogroepen die weer in veertig genotypes onderverdeeld kunnen worden. De meeste infecties in mensen worden veroorzaakt door norovirus GII.4 en dit virus verandert over tijd door middel van mutaties.

Het norovirus veroorzaakt bijna een vijfde van alle maagdarminfecties. Voor gezonde mensen duurt de infectie een paar dagen en veroorzaakt het diarree en braken. Maar bij kwetsbare ouderen en mensen met een verminderde weerstand kan het ziektebeeld ernstiger zijn en langer duren. De hevige diarree en het braken kunnen uitdrogen veroorzaken. Dit kan de dood tot gevolg hebben.

Het is daarom zaak dat het norovirus goed in de gaten wordt gehouden zodat veranderingen in de erfelijke eigenschappen op tijd kunnen worden gesignaleerd. Dit kan met behulp van het Global NoroNet, een enorme database met gegevens over het norovirus in relatie tot de mens. Global NoroNet bestaat sinds 2002 en hierin worden wereldwijde uitbraken en mutaties nauwkeurig bijgehouden door de afdeling Viroscience, het RIVM en de partners in Azië, Europa, Oceanië en Afrika.

Door het gebruik van Global NoroNet blijven al deze wetenschappers op de hoogte van wat er in de andere landen gebeurt. In de database wordt bijgehouden welk type norovirussen voor uitbraken zorgen, wanneer de meeste uitbraken plaatsvinden, en waar (verpleeghuis, kinderdagverblijf, kantoor, cruiseschip, etc). Uit de Global NoroNet data bleek dat in Europa en Azië de meeste GII.4 norovirus uitbraken in de winter plaatsvinden terwijl in Africa en Nieuw Zeeland de meeste infecties in de lente plaatsvinden. Ook zien we dat het GII.4 norovirus relatief vaker verantwoordelijk is voor uitbraken in verpleeghuizen vergeleken met andere norovirus varianten.

Ook kijkt Global Noronet naar de genetische diversiteit en veranderingen van de virussen in de loop van de jaren. Op die manier hopen de onderzoekers in beeld te krijgen welk norovirus de belangrijkste ziekteverwekker is, en hoe dit virus ontstaat en zich verspreidt.

In de afgelopen twee jaar is er grote vooruitgang geboekt in het onderzoek naar norovirus, omdat men erin is geslaagd om het virus te kweken. Daardoor kunnen nu stappen worden gezet in een grondige analyse van het virus en wordt het eenvoudiger om medicijnen en vaccins te testen. Wetenschappelijk onderzoeker Miranda de Graaf leidt dit onderzoek vanuit de afdeling Viroscience. Ze coördineert bovendien samen met het RIVM de internationale activiteiten van Global Noronet

Bron: Erasmus MC

2 februari 2018